| 1. een plant; in de kamer staat een mooie . |
| 1. Maar je kunt ook met een boot. |
| 2. Een is iemand die heel beroemd is. |
| 2. Een kun je aan de hemel zien schijnen als het nacht is. |
| 3. Je is het deel van je lichaam, waar je hand aan zit. |
| 3. Niet rijk, maar . |
| 4. Niet scherp; de punt van mijn potlood is . |
| 4. Hij gaf mij een met zijn elleboog, dat deed pijn. |
| 5. Een stuk van een brood; een brood. |
| 5. Hij had een in zijn vinger door het scherpe mesje. |
| |
|