| 1. pas klaar gemaakt, deze groenten zijn heel erg . |  |
| 1. een is een deel van een lied of een gedicht/ |
| 2. snel en gemakkelijk; het gaat . |
| 2. met een kun je varen op het water. |
| 3. niet minder, maar . |
| 3. een is een grote waterplas, je kunt er lekker zeilen. |
| 4. aan een kopje zit een . |
| 4. met je kun je horen als het goed is. |
| 5. met een (een pont) vaar je over een rivier. |
| 5. de vogel had een prachtige blauwe in zijn staart. |
|