|
| 1. Ik maak zes boterhammen met lekkere kaas klaar, want Judith en ik hebben honger. |
| 2. Ik smeer ook nog twee bruine broodjes voor mijn moeder, omdat zijzelf weinig tijd heeft. |
| 3. Vader ligt op de nieuwe bank te dommelen, nadat hij veertig kilometer heeft gefietst. |
| 4. Hij ligt nu al drie kwartier te dommelen, terwijl mijn oudste zus voor onze vissen zorgt. |
| |